ROUTEBESCHRIJVING
Vertrekpunt: Ulvenhout, Daesdonckseweg over de A27 rechts.
Vanuit Ulvenhout bereik je via de
Strijbeekseweg over de A27 de Daesdonckseweg. De auto parkeren in de berm. We
gaan op pad, eerst de A58 volgend in zuidwestelijke richting. Over de Scheelse
brug steken we de Boven Mark over en passeren we het landgoed met het vroegere
voorname herenhuis 'Daesdonk' aan de westelijke oever van De Mark. Tot 1832
vormde het een uitgestrekt complex van landerijen, ter grootte van 165 ha. De
vroeger oprijlaan naar het kasteel Daesdonck begint bij 'De drie Zwaantjes' en
is nog steeds goed herkenbaar in het landschap. De naam Daesdonck kan verklaard
worden als d'A's Donk, dat wil zeggen 'donk gelegen aan het water van de A'Een
donk is een zandige opduiking in een moerassig gebied. Met de A wordt de rivier
de Mark bedoeld.
De oudste vermelding dateert uit 1350.
Het landgoed is tot in het midden van de 16e eeuw eigendom geweest van de
familie Van der Daesdonck, waarna het is overgegaan in het bezit van het
voorname zuidnederlandse geslacht de Douvrijn. Sinds het landhuis in 1696
verkocht werd aan George Lauder, een majoor in het Schotse regiment, werd het in
de volksmond 'het ladderkasteeltje' genoemd. Helaas werd het 17e eeuwse
kasteeltje door een brand verwoest en de nabijgelegen kasteelboerderij in de as
gelegd. Het oude kasteeltje werd in 1832 gesloopt en men besloot tot de bouw van
een nieuwe boerderij, even ten noorden van de oude hoeve. Diverse ornamenten van
het kasteeltje werden verwerkt in de gevel van de nieuwe boerderij. In 1983 werd
de 150 jaar oude boerderij gerestaureerd, waarmee de drie hoeven die
oorspronkelijk tot het landgoed Daesdonck hebben behoord, tot op heden behouden
zijn gebleven. Dit zijn, naast de grote hoeve aan de Daesdonckseweg 5, de hoeve
'de drie Zwaantjes' aan de Galderseweg 115 en 'de Schotse Hoef' aan de
Galderseweg 11.
Bij hoeve "de Drie Zwaantjes" steken
we de Galderse weg over en lopen over de Moerstraat langs de Galderse meren, een
recreatieplas waar 's zomers veel te doen is. Aangekomen op de Rijsbergse Baan
slaan we links af. Even voorbij een manege, die de uitstraling moet geven van
een heuse Ranch, gaat het opnieuw links af langs een bosrand. Het drukke
autolawaai van de A16 richting Antwerpen is weldra niet meer te horen en we
keren terug in de rustige natuur. Rechts van ons stroomt de Galderse Beek door
de weilanden. Deze stroomafwaarts volgend komen we op een 3-sprong. Hier gaat de
route naar rechts over de Galderse Beek. Op de volgende kruising links houden en
langs een boerderij. Het pad rechtdoor volgen en niet over het terrein van
boerderij Christianen. Dit pad, De Bouwerij, komt uit in de St Jacobsstraat
tegenover het gemeenschapshuis. Hier naar links tot aan de St. Jacobskapel,
gelegen in het noordelijk deel van het gehucht Galder.
Het dorpje Galder vindt zijn oorsprong
in de 10e eeuw als beekdalnederzetting. De eerste vermelding van de plaatsnaam
staat vermeld in een akte uit 1299, waarin Ghalre met zijn tienden werd
toegewezen aan de Abdis van Thorn. Het oudste deel van de nederzetting ligt aan
de noordzijde van het tegenwoordige dorp. Hier stonden een aantal grote
boerderijen, waaronder "de oude Hoeve van Galder". Door de bouw van een kapel in
de 2e helft van de 15e eeuw ontwikkelde Galder zich geleidelijk aan tot een
kapelgehucht. Deze kapel is genoemd naar Sint Jacobus, een van de apostelen en
vanouds de patroon van Galder. De inkomsten van de kapel bestonden o.a. uit
offers in natura ter waarde van f 50,- zoals schapen, wol en eikels. Deze werden
op St. Jacobusdag door de gelovigen naar de kapel gebracht. In 1824 werd de
kapel ingrijpend verbouwd tot school voor ruim 100 kinderen en woning voor de
schoolmeester. Aan een van de torenmuren is nog te zien dat de muren bij deze
verbouwing werden verlaagd en dat tevens de nokhoogte is teruggebracht. De
naaldspits en een stuk van de toren werden afgebroken. De toren werd voorzien
van het thans nog bestaande lage tentdak. Pas in 1881 werd de kapel als school
ongeschikt verklaard en werd in het jaar daarop een aparte openbare school
gebouwd in de kom van Galder. In 1934 werd de kapel grondig gerestaureerd, maar
de toren is niet tot in zijn oorspronkelijke hoogte teruggebracht. Het
agrarische Galder was in de 17e eeuw het meest volkrijk en welvarend. Uit een
volkstelling in het jaar 1672 blijkt dat Galder toen 176 inwoners telde, 212
koeien en 55 paarden. In de volgende twee eeuwen is het dorp bijna niet meer
gegroeid. We vervolgen de weg over echte Brabantse kasseien. Het gaat even
verderop naar links over het Vorderpad in de richting van de Mark. De Mark
behoort tot de categorie van de zogenaamde laaglandbeken (beken die ontstaan
door samenvloeiing van vele kleine waterloopjes). De Mark ontspringt als beek
bij het Belgische plaatsje Koekhoven en komt bij Strijbeek ons land binnen. In
haar loop neemt zij zowel in België als in Nederland het water van talrijke
beken op.
De rivier leverde de oeverbewoners in
het verleden veel vis, maakte scheepvaartverkeer mogelijk en liet diverse
watermolens draaien, maar bezorgde hen ook veel wateroverlast. In tijden van
zware regenval en bij hoge vloed, kwam al het aangrenzende land soms langdurig
onder water te staan. In 1828 werden er bij de monding te Dintelsas sluizen
geplaatst, waardoor de rivier afgesloten werd van zee.
Maar ook bij dreigend oorlogsgevaar
liep het land ten zuiden van Breda onder water, nadat de grote militaire
inundatiesluis van deze vesting was afgesloten. Bij de ontmanteling van de
vesting Breda, na 1870, behoorde dit definitief tot het verleden. In 1968 werd
begonnen met de normalisering van de rivier (bochten werden afgesneden, de
rivier werd aanzienlijk verbreed en uitgediept en er werden stuwen gebouwd)
waarmee de overlast als gevolg van overvloedige regenval grotendeels werd
opgeheven. Aan de oude meanders is nog goed te zien hoe de situatie voor deze
tijd is geweest.
Over de verharde fietsroute langs de
Mark volgen we de meanderende stroom in zuidelijke richting. Dit fietspad is pas
vernieuwd en wijkt op een gegeven moment verder af van het water, de oorsprong
verlatend. Alles lijkt erop dat men bezig is het landschap opnieuw in te
richten. We komen ook bij een "gue". Heb je problemen met dit obstakel en wil je
zonder een paar natte voeten en een natte broek vanaf komen, neem dan het
bruggetje een paar meter verderop!! We komen nu erg dicht bij de Belgische
grens. Meersel Dreef ligt op slechts enkele meters van de Markbrug. Deze moeten
we oversteken in oostelijke richting en meteen daarna rechts af. Grenspaal 218
ligt onder handbereik, maar wel aan de Belgische zijde van de Mark. Tussen
weilanden en akkerland door bereiken we de Strijbeekse weg. Voor een kopje
koffie kunt u een stukje linksaf naar Café Oud Strijbeek. Als we weer op
pad gaan in de richting van de grens blijkt Strijbeek uit slechts enkele huizen
en een café te bestaan. Het gehucht Strijbeek ligt aan de rand van de
Strijbeekse Heide en aan de Belgische grens. Strijbeek ontleent zijn naam
waarschijnlijk aan de nabijgelegen Strijbeekse beek. Het is echter niet bekend
hoe deze beek aan zijn naam is gekomen. In 1744 meende men dat deze beek de
zuidgrens vormde van het Gouw Strijen, maar ook de aanduiding "strij" dat
stromend water of strijd betekent, behoort tot de mogelijkheden. Strijbeek kende
reeds duizenden jaren geleden een min of meer permanente bewoning. Dit bewijst
de vondst van een urnenveldje, dat tijdens ontginningswerkzaamheden in 1937 werd
blootgelegd. Het toont aan dat reeds in de 5e eeuw voor onze jaartelling mensen
op dit hooggelegen terrein hebben gewoond. Het huidige Strijbeek is vermoedelijk
in de 13e eeuw ontstaan door ontginning van bos op de hogere terreingedeelten
langs de nabijgelegen Strijbeekse beek. Als typische beekdalnederzetting werd
het gesticht aan de Goudbergseweg, een onderdeel van een eeuwenoude heerbaan,
welke uitkwam op de belangrijke verbindingsweg Hoogstraten-Breda. Ondanks de
gunstige ligging is Strijbeek echter nooit uitgegroeid tot een groot dorp,
hoewel het aantal inwoners in vroeger eeuwen groter was dan tegenwoordig. Op
slechts 100 meter van de Belgische grens komen we voorbij de St. Hubertuskapel.
Dit kapelletje werd gebouwd voor de gelovigen die te ver van de parochiekerk
woonden. De historie gaat terug tot het jaar 1518. De vorige kapel was
aanzienlijk groter, namelijk 22 meter lang en 15 meter hoog. waarom in Strijbeek
destijds zo'n omvangrijk godshuis werd gebouwd is waarschijnlijk te herleiden
tot het toenmalige - in vergelijking met omliggende dorpen - grote aantal
inwoners. De heilige Hubertus, de eerste bisschop van Luik, is tot op heden de
patroon van de jagers. Na een leegstand van meer dan een eeuw (door de in
beslagname van de prins van Oranje) bleken de onderhoudskosten zo hoog geworden,
dat in 1872 werd besloten de kapel af te breken. Van de oude stenen werd het
huidige kapelletje gebouwd, waarna het in 1979 nog eens is gerestaureerd. In
datzelfde jaar werd op St. Hubertusdag, 3 november, het inmiddels uit de nis
boven de ingang verdwenen Hubertusbeeld vervangen door een ander beeld.
Even voorbij de St. Hubertuskapel, nog
voor grenspaal 217, slaan we linksaf de Goudbergseweg, voorheen Oude Bredase
Baan in. Nu komen we in het gebied, waaraan deze wandelroute haar naam ontleent:
Patersmoer. Al meteen loopt de route rechts af en komen we in het stroomgebied
van de Strijbeekse beek. Deze vormt hier de natuurlijke grens met onze Belgische
zuiderburen. Met deze beek aan onze rechterhand bereiken we het reservaat van
Staatsbosbeheer De Goudberg links van ons. De Goudberg is een 20 ha. groot stuk
heide ten oosten van Strijbeek. In het centrum ligt het fraaie ringven
Patersmoer met levend hoogveen dat omsloten wordt door een zogenaamde
sikkelduin, begroeid met heide, eiken, berkenbos en vliegdennen, waarin de
geologische formaties nog ongestoord zijn.
Het Patersmoer heeft het minste te
lijden gehad van de negatieve beinvloeding door de mens en vormt hiermee "een
parel aan de zuidkant van het heem". Sinds 1954 is de Goudberg een
Staatsnatuurreservaat, waarmee kon worden voorkomen dat dit uitzonderlijke
natuurgebied tot kultuurgebied werd omgevormd. Uitsluitend het brede pad rondom
het Patersmoer is voor het publiek toegankelijk. We lopen tot aan de oever en
volgen het pad langs de zuidkant van het ringven. Dit pad volgend komen we op de
Bergweg en linksaf bij hoeve de Gouwberg. Rechtsaf en even verderop rechtsaf de
brede zandweg, de Grazense weg in. We komen nu aan de uitloper van de
Strijbeekse Heide bij het Zwarte Goor, links van de route. Als snel bereiken we
het Zwarte Goor omgeven door grove dennen en hoog opgroeiend buntgras. Dit ven
passeren we aan de westzijde en via een kort stukje over de Oude Bredase Baan
rechtsaf in oostelijke richting bereiken we de weilanden met zicht op Chaam en
het Chaamse beekdal. Hier loopt het pad naar links. Even gaat de route over de
Heistraat met verhard fietspad, maar de witgele markering brengt ons snel op een
zandweg parallel aan deze fietsroute. De Strijbeekse Heide blijft aan onze
linkerkant.
Deze heideontginningsbossen van de
Strijbeekse Heide zijn in de jaren 1934/35 aangelegd en bestrijken een
oppervlakte van 189 ha. Er liggen drie natuurwetenschappelijk waardevollle
gebiedjes, namelijk het Zwarte Goor, het Langven en het Rondven. Dit zijn
typische Noordbrabantse vennen, omringd door heide. Het zijn restanten van de
oorspronkelijke Strijbeekse Heide, die nu voor een groot deel in cultuur is
gebracht.
Het gebied telde in de 19e eeuw
aanzienlijk meer vennen dan tegenwoordig. Vanaf de vijftiger jaren werden
honderden hectaren heide, met de daarin gelegen vennen, door de Domeinen aan
boeren verkocht. Die vennen, waarvan de ondergrond enigszins vruchtbaar was,
werden ontgonnen. De meeste onvruchtbare vennen bleven hierdoor praktisch
onaangetast. De zwarte stern, grutto, en wulp broeden er. Via de Retteweg komen
we aan de noordzijde langs het Langven en lopen door tot aan de Erikaweg.
Onderweg moet we enkele keren een wildrooster passeren en zijn hele stukken
afgezet met prikkeldraad. Alles wijst erop dat men bezig was met herinrichting
van het landschap. Stukken heide zijn afgeplagd en wellicht lopen er nog schapen
of Schotse hooglandrunderen rond. We zijn nu in de buurt van het laatste ven:
het Rondven. De witgele markeringvoert ons direct langs dit ven. We zitten nu in
het centrum van de Strijbeekse Heide op de Hoge Weg.
Een paar honderd meter in oostelijke
richting komen we weer op de Heistraat met verhard fietspad. Nu gaat het in
noordelijke richting en weldra laten we de heide achter ons. Nog slechts een
drietal kilometer scheidt ons van het vertrekpunt. Bij een statig pand uit 1898
dat het midden houdt tussen een boerderij en een statige woonstede, aan de
huidige tijd aangepast, gaan het linksaf voor de laatste kilometer. We staan
weer aan de Strijbeekse weg op de kruising met de Daesdonckseweg, waar het
vertrekpunt van de wandeling ligt.